Foto Robert Peatling, juli 2001 Terug naar startpagina TERUG NAAR STARTPAGINA


Verhalen gemeente Arnhem


Naar tekst: Robert Peatling.

Roodland en Geelland in Arnhem

`Mensen interviewen? Over vooroordelen? Nou dat lijkt me niks. Da's hartstikke afgezaagd.' Hester weet het altijd zo lekker fel te zeggen. `En een collage maken van kranteknipsels over discriminatie? Ach joh, zoiets hebben we al zovaak gedaan!' Ze zitten samen een presentatie voor te bereiden voor de ouderavond: Hester, Paul en Lotte. 't Moet over oorlog en vrede gaan, of over iets dat daarmee samenhangt. De leerlingen zijn in kleine groepjes verdeeld en ze moeten allemaal wat doen.

`Misschien kunnen we een rollenspel bedenken', oppert Lotte. Maar aan het gezicht van Paul ziet ze dat hij daar niet veel voor voelt. `Nee, daar heb ik ook geen zin in', zegt Hester, `We moeten wat spectaculairs bedenken, vind ze. Iets waar iedereen van uit zijn dak gaat.' `Hoe doe je dat', vraagt Paul, `Iets spectaculairs?' `Ja, ik weet het niet, iets heel aparts'. `Dus een hoorspel vinden jullie zeker ook niks', aarzelt Lotte. `Nou, dat lijkt mij wel leuk', zegt Paul, `Daar kunnen we van alles in verwerken.' `Ja, maar bij een hoorspel is er alleen iets te horen. We moeten toch zeker ook iets laten zien, of nietsoms?'

`Hé Abdoel, wat doe jij hier? Ben je weer beter?' roept Hester. `In welke groep zit jij voor de presentatie?' Abdoel slentert het lokaal in en gooit zijn tas op de tafel. `Ja, ik ben weer beter, gelukkig wel. Ik ben blij dat ik weer naar school kan. Thuis zitten is ook niet alles. En ik kan jullie feliciteren, want ik zit bij jullie in de groep.' `Nee hè', roepen de anderen en ze lachen. `Je weet niet eens waar het over gaat', meent Lotte. `Nou ja, jullie moeten me maar vertellen wat er moet gebeuren', zegt Abdoel.

`We moeten een presentatie bedenken voor de ouderavond over een onderwerp uitde vredes bus', legt Hester uit. `Het mag niet langer dat tien minuten duren en een rollenspel doen we niet. Interviews en collages maken zijn we ook zat.' `Vredesbus, hoezo vredesbus?' vraagt Abdoel. `Kun je daar met een gewone strippenkaart in naar de vredeswijk of zo?' `Nee joh, luister nou', zegt Lotte. `Je weet wel. Het is die vrachtwagen van de gemeente met een tentoonstelling er in. Verleden jaar stond die bus al een paar dagen voor onze school, maar toen was je zeker ook ziek. Nou, die tentoonstelling was best leuk. Je kon er allerlei dingen doen die met vrede te maken hebben.' `Ja', vult Paul aan, `een videofilm kijken, een spel doen over mensen in de Derde Wereld of een puzzel maken over mensenrechten. Nu moeten wij over één ding uit de vredesbus een presentatie maken.' `Wat gebeurde er verder in die bus', vraagt Abdoel. `Sorry hoor, dat is niet zo makkelijk te vertellen. Het is wel lastig dat je er niet bij bent geweest', zegt Lotte. `Misschien kunnen we iets doen met het verhaal van Roodland en Geelland', bedenkt Paul dan ineens. `Waar gaat dat over?' informeert Abdoel. Paul begint te vertellen en Lotte en Hester kijken naar hem alsof ze het voor het eerst horen.
In de `Vredesbus' kun je leren hoe je vrede kunt maken.

`Het verhaal gaat over mensen die in twee landen wonen, Roodland en Geelland. Op de grens van die twee landen loopt een rivier. De mensen komen daar niet overheen. Ze kijken wel uit. Ze vertrouwen elkaar voor geen meter en ze hebben allerlei vooroordelen. De Roodlanders schelden de Geellanders uit voor luilakken en friet-met-mayonaise-hoofden. Andersom zeggen de Geellanders dat de Roodlanders rood zijn omdat ze elkaar zo vaak slaan. Zo schelden ze elkaar uit en het scheelt niet veel of ze gaan vechten. Totdat in een heel droge zomer het water in de rivier zo ver zakt, dat de kinderen van Roodland en Geelland bij elkaar een kijkje kunnen gaan nemen. En op een dag springen ze over de stenen die op de bodem van de rivier liggen naar de overkant. Daar praten en spelen ze met elkaar. Ze ontdekken dat er helemaal niets klopt van al die vooroordelen. Ze moeten ook erg lachen, want ze horen van elkaar dezelfde mopjes over de Roodlanders en de Geellanders. 's Avonds gaan de kinderen weer naar hun eigen land en naar huis. Ze vertellen hun ouders van de ontmoeting. Die schrikkener van. Ze roepen allemaal heel boos: `Wat? Hebben jullie met Roodlanders gepraat? Zijn jullie bij de Geellanders geweest?' `Voor straf mogen jullie drie dagen niet naar buiten.' De volgende dagen is het heel rustig in Roodland en in Geelland. Alle kinderen zitten binnen. Maar na drie dagen zijn ze de kinderen van de overkant niet vergeten. Opnieuw zoeken ze elkaar op. Ze bedenken eens chitterend vredesplan. Ze bouwen van stenen in de rivier een brug. En zo is het gekomen dat de mensen van Roodland en Geelland vrienden met elkaarwerden.'

`Gaaf verhaal', vindt Abdoel. En Hester zegt: `Ja, nu ik het zo weer hoor vertellen. Goed idee. Daar moeten we iets mee doen. Maar wat!' `Hebben jullie al aan de bruggen van Arnhem gedacht', zegt Abdoel na enig nadenken. `Hoezo', reageert Hester, `de bruggen van Arnhem, daar is toch niks mis mee?' `Ik geloof dat ik je begin te begrijpen', zegt Paul, `bijvoorbeeld de John Frostbrug.' `Ja, en de andere bruggen van Arnhem.' De ogen van Abdoel beginnen te glimmen. `Arnhem-Zuid en Arnhem-Noord worden ook gescheiden door een rivier. Over de rivier liggen bruggen. Laten we daar iets over presenteren.' `Je wilt Arnhem-Zuid en Arnhem-Noord toch niet met Roodland en Geelland vergelijken? 'vraagt Lotte. `Nee, natuurlijk niet. Daar gaat het niet om, maar bruggen over een rivier brengen mensen wel bij elkaar', antwoordt Paul. `O, bedoel je dat zo', zegt Lotte. `Paul, jij had het over de John Frostbrug', zegt Hester. `Welke bruggen zijn er nog meer?' `Je hebt de Nelson Mandelabrug, en de André Sacharovbrug. Elke brug is naar iemand genoemd.' `Hebben die mensen soms iets met elkaar te maken?' vraagt Lotte. `Wat?' `Ik weet het ook niet precies', zegt Abdoel. `Maar John Frost heeft iets met de oorlog te maken en Nelson Mandela is een leider van de zwarte bevolking van Zuid-Afrika. Hij heeft in 1993 de Nobelprijs voor de vrede gekregen. Samen met De Klerk, dat is de president van Zuid-Afrika. En wie André Sacharov is weet ik niet.' `Is Sacharov een man of een vrouw', vraagt Hester. `Dat zullen we moeten opzoeken', zegt Paul. `Nu begrijp ik nog niet wat John Frost met Nelson Mandela te maken heeft', zegt Lotte. `Misschien wel dat ze allebei iets goeds voor hun mensen hebben gedaan', gokt Abdoel. `Iets voor de vrijheid of zo.' `Ja, ook dat moeten we ook uitzoeken', zegt Paul. `Laten we dat gaan doen', zegt Hester. `De brug van Roodland en Geelland werd gemaakt door kinderen en de vooroordelen verdwenen. Misschien kunnen wij dan iets met de bruggen van Arnhem doen.
`Maar dan is het denk ik belangrijk, dat we weten wie de mensen zijn naar wie ze zijn genoemd', vindt Paul. Lotte vraagt wat plagerig aan Hester of ze dit nu wel spectaculair genoeg vindt. Hester gaat er serieus op in. `Nou, ik denk dat je hier heel wat mee kan doen', zegt ze, `Maar we moeten het natuurlijk wel heel goed presenteren. Met dia's of zo en mooie muziek.'


De Rijnbrug en omgeving voordat de Slag om Arnhem plaatsvond.

In de weken daarna ontdekken de vier leerlingen een heleboel. Ze kijken eerst in het documentatiecentrum van de school. Daar vinden ze informatie over Nelson Mandela. Abdoel belt naar de afdeling voorlichting van de gemeente Arnhem om informatie over de bruggen op te vragen. Hester en Lotte nemen contact op met het Airborne Museum in Oosterbeek. Ze krijgen een kopie van een foto van de Rijnbrug in de Tweede Wereldoorlog en een verhaal over John Frost. Bij Paul thuis in de boekenkast staat een boek over André Sacharov. Veel te moeilijk geschreven, maar zijn moeder kan hem iets over deze man vertellen. Urenlang zijn ze bezig met hun presentatie. Paul, die zo'n beetje de leiding had, kan er soms niet van in slaap komen. Hester blijft roepen dat het nog niet spectaculair genoeg is. Lotte vraagt zich telkens af of de mensen het wel zullen begrijpen. Abdoel houdt het hoofd koel zoals altijd en daar worden de anderen ook rustiger van. Op het laatst helpt de leraar hen een beetje.

De presentaties op de ouderavond zijn een succes. Andere groepjes leerlingen hebben presentaties over mensenrechten en over de Tweede Wereldoorlog. Weer een ander groepje deed een spel over hoe een reep chocolade wordt geömaakt in Nederland met grondstoffen uit de Derde Wereld. Het duurt even voordat Hester, Abdoel, Paul en Lotte aan de beurt zijn. Het wordt een klapper. Eerst vertelt Paul het verhaal van de Kinderbrug in Roodland en Geelland. Hij kan echt goed vertellen. Het podium is verlicht met gele en rode spotjes.
De Rijnbrug en omgeving voor dat de Slag om Arnhem plaatsvond.

Dan komen Abdoel, Hester en Lotte die iets vertellen over de drie bruggen van Arnhem. Tussendoor worden ook dia's vertoond en Abdoel zwaait met een vlag van het ANC, de partij van Nelson Mandela. Hester leest het verhaal over John Frost voor. Hoe hij in september 1944 met zijn soldaten dagenlang de noordelijke oprit van de Rijnbrug verdedigde. Dat de geallieerden met de operatie `Market Garden' belangrijke bruggen in Nederland wilden veroveren om op die manier Duitsland binnen te trekken. Dan zou de oorlog voorbij zijn en Nederland bevrijd. Ze laat dia's zien van de brug van toen en die van nu. Ze vertelt dat de Slag om Arnhem toen mislukte. Dat de bevrijding van het noorden van Nederland nog maanden zou duren. Lotte vertelt het verhaal van André Sacharov, een geleerde uit de Sovjetunie die jarenlang in een kamp opgesloten zat. De regering van de Sovjet Unie vond hem gevaarlijk. Hij wilde alleen meer vrijheid voor de mensen. Toen Gorbatsjov de leider van de Sovjet Unie werd, heeft hij zijn excuses aan Sacharov aangeboden en liet hij hem weer vrij. Paul sluit de presentatie af met te zeggen, dat de mannen naar wie de Arnhemse bruggen zijn vernoemd zelf ook bruggenbouwers waren. Ze bouwden bruggen voor de vrede tussen de mensen. Net zo als de kinderen van Roodland en Geelland deden. Tenslotte zingen ze een lied dat de broer van Hester heeft gemaakt. Daarna zingt iedereen het mee. Dat lied gaat zo:

`De vogels vliegen gewoon over het water, zijn hier thuis, maar ook aan de overkant. Laten zo de mensen voor nu en voor later met hun bruggen verbinden land met land.
Na hun presentatie klinkt een daverend applaus van de mensen in de zaal.

De gevechten bij brug van Arnhem
Die zondagmorgen 17 september 1944 is het nog rustig in Arnhem. 's Morgens om negen uur hebben de sirenes van het luchtalarm geloeid. Britse vliegtuigen voerden een bombardement uit op de Willemskazerne. Daarna is het weer stil geworden. De mensen die gewend zijn om naar de kerk te gaan, doen dat ook op die ochtend. Veel jonge mannen zie je er niet. Die houden zich schuil omdat ze het risico lopen opgepakt te worden om als dwangarbeider in Duitsland tewerkgesteld te worden.

Ergens anders in Arnhem zit een man de krant van zaterdag te lezen. De krant is niet veel meer dan één vel omdat het papier zo schaars is. Aan beide zijden is hij bedrukt met oorlogsnieuws. `Maastricht verloren gegaan' leest hij. Dat is natuurlijk vanuit het standpunt van de Duitsers gedacht. De journalist had ook kunnen schrijven: `Maastricht bevrijd door de geallieerden.' Zo ver zijn de bevrijders al. In Maastricht wordt feest gevierd. In Arnhem is het nog niet zo ver, maar de rust zal spoedig verdwenen zijn.

Terwijl de man in Arnhem in de krant leest dat Maastricht is bevrijd, stappen ongeveer 600 mannen op het vliegveld Folkingham in Engeland aan boord van Dakota-vliegtuigen. Ze behoren tot het 1e parachutistenbataljon en maken deel uit van de 1e Britse Airborne-divisie. Ze gaan op weg naar Nederland om deel te nemen aan de grootste luchtlandingsoperatie die men ooit gekend heeft. Ze weten wat hun te doen staat: de brug bij Arnhem veroveren, om zo de weg vrij te maken voor het geallieerde leger om het Duitse Ruhrgebied in te trekken. Daar is de Duitse oorlogsindustrie gevestigd. Op die manier willen de geallieerden Duitsland tot de overgave dwingen. De oorlog zal dan afgelopen zijn en ook het westen en het noorden van Nederland zullen vrij zijn.

Om twee uur in de middag zijn ze boven het landingsgebied bij Wolfheze. Wanneer het rode licht boven de geopende deur van het vliegtuig brandt, betekent dat: Opletten! Direct daarna brandt het groene licht. De mannen springen om de twee seconden naar beneden. De lucht is gevuld met parachutisten. Enkele uren daarvoor hebben andere Airbornes de droppingszone gemarkeerd met grote witte letters. Ze waren de Pathfinders. Verkenners die met zweefvliegtuigen zijn gekomen. Deze zweefvliegtuigen hebben geen motoren maar wel een landingsgestel. Ze worden met een dikke kabel door andere vliegtuigen getrokken. Na de dropping van de parachutisten en de landingen van de zweefvliegtuigen, verzamelen de mannen zich en trekken in de richting van Arnhem. Het bataljon van commandant John Frost kan vrij gemakkelijk bij de Rijnbrug in Arnhem komen. Hij neemt de route onderlangs door Oosterbeek. De soldaten die andere routes nemen hebben het veel moeilijker. Zij trekken via de Amsterdamseweg en de Utrechtseweg in de richting van Arnhem. Al snel krijgen ze te maken met de harde tegenstand van de Duitse soldaten. Van huis tot huis vechten ze zich een weg naar de brug. De meeste Airbornes van deze andere bataljons zijn daar nooit aangekomen. De Duitse weerstand was te groot. Veel Britse soldaten zijn na enkele dagen al gewond of gedood door de gevechten. De doden konden niet eens begraven worden. De grootste groep kwam niet verder dan Oosterbeek waar ze negen dagen stand konden houden rond het hoofdkwartier van Generaal-Majoor Urquhart, hotel `Hartenstein'. Slechts een klein groepje bereikte de brug, waar het allemaal om begonnen was.

Terug naar begin Naar begin van het verhaal.

Robert Peatling

Op zondagavond 17 september komen de Britse soldaten aan bij de brug. Het is daar dan echt gedaan met de rust. Robert Peatling is ook bij het gevecht om de brug betrokken. Zijn vrienden noemen hem Bob. Over die dagen schrijft hijlater: `We hadden verwacht dat het er rustig zou zijn, maar dat viel tegen. De vijand hield de andere kant van de brug bezet. Het zou niet lang meer duren, dachten we, voor we ze van de brug zouden afgooien.' Ze verschuilen zich in de huizen bij de noordelijke oprit van de brug. Voortdurend worden ze beschoten door Duitse tanks. Het is een oorverdovend lawaai om hen heen. Als er een granaat inslaat, vliegen de stukken muur je om de oren. Aan beide kanten vallen gewonden en ook doden. Zo nu en dan is het even angstig stil, maar daarna begint het schieten weer.

Sommige mensen die in de buurt van de brug wonen, zijn gevlucht nadat de gevechten begonnen zijn. Anderen zitten er midden in. Ze houden zich schuil in kelders en wachten af wat er zal gebeuren. De huizen in de buurt van de brug liggen al voor een groot deel in puin. De daken van de huizen aan de Eusebiusbinnensingel zijn er bijna allemaal afgeschoten. Soms zie je alleen nog een puinhoop. Op het Eusebiusplein, nummer 22, vlak bij de brug, is het pension Veenhuijsen gevestigd. Daar wonen vader, moeder en twee kinderen, een zoon en een dochter. Het pension is een rusthuis. Op dat moment wonen er drie oude dames. Zij en de familie Veenhuijsen schuilen in de kelder van het huis.

De volgende morgen breken Britse soldaten de voordeur open en verschansen zich in het huis. Enkele uren later wordt er heftig geschoten en alle ruiten van het huis zijn kapot. Een stuk van het dak is eraf doordat een granaat op de vliering ontploft. Ook de daarop volgende dag, dinsdag, gaat het schieten door. Terwijl op de bovenverdieping en in de tuin de granaten ontploffen, staat een parachutist in de keuken eten voor zijn kameraden klaar te maken. Eén van de oudere dames, mevrouw Van Ommeren, houdt het niet meer uit. Ze loopt het huis uit en steekt de straat over. Voordat ze de overkant bereikt, wordt ze door kogels getroffen en is ze dood. De familie Veenhuijsen en de twee andere oude dames krijgen iets te eten van de parachutist in de keuken.

's Avonds verlaten de Britse soldaten het huis en gaan in de richting van de Rijnbrug. Het pension Veenhuijsen is helemaal vernield en sommige huizen in de omgeving staan in brand. Het gezin en de twee dames kunnen niet meer in de kelder blijven en vinden een schuilplek onder de vloer van de serre.

De achtertuin van pension Veenhuijsen in 1942. Duidelijk is de schuilplaats onder de serre te zien. Dan breekt er brand uit op de bovenste verdieping en onder de vloer van de serre wordt het steeds heter. Eén van de oude dames is helemaal in de war. Ze vraagt of meneer Veenhuijsen een taxi voor haar wil bestellen. De anderen kunnen haar kalmeren. Met water uit een emmer proberen ze haar gloeiende handen en hoofd een beetje af te koelen. Wanneer het tenslotte te heet wordt onder de serrevloer, rennen ze met z'n allen de tuin in en proberen ze zich achter de tuinmuur te verschuilen voor de rondvliegende kogels en granaten. Het hele huis staat nu in brand en in die nacht van dinsdag op woensdag stort het in. De bewoners zijn hongerig en rillen van de kou. Ze eten appels uit de tuin. Sommige appels zijn gestoofd door de hitte van het brandende huis. De volgende dag, het is intussen woensdag, ontploft een granaat in de tuin. De beide oude dames komen daarbij om. Wanneer de brandende puinhoop van het huis is afgekoeld, kruipt de familie Veenhuijsen terug om een betere schuilplaats te zoeken. Die donderdag hebben de Duitsers de binnenstad weer in hun bezit. De familie Veenhuijsen wordt naar het stadhuis gebracht. Alles zijn ze kwijt. Maar zij zijn tenminste nog in leven. De drie oude dames zijn dood.

Terwijl de familie Veenhuijsen zich in de kelder en onder de vloer van de serre schuilhoudt, wordt erbij de brug nog hevig gevochten. De overmacht van de Duitse soldaten is te groot. De Britse soldaten kunnen tenslotte geen kant meer uit. Ze blijven hopen dat ze steun krijgen van de Airbornes die aan de noordkant van de rivier zijn gedropt. Ook de steun van de andere Airbornes kan hen niet bereiken. Deze stuiten op onverwachte tegenstand tussen `Onderlangs' en `Boven over' en kunnen zich maar met moeite in Oosterbeek staande houden. In de nacht van woensdag 21 op donderdag 22 september moeten de soldaten bij de brug de strijd opgeven.

Bob Peatling wil niet geloven dat ze verloren hebben. Hij zit op dat moment in het politiebureau in Arnhem waar Duitse soldaten gevangen worden gehouden. Hij weigert zich over te geven en verbergt zich op de vliering van het politiebureau die volstaat met in beslag genomen radiotoestellen. Duitse soldaten doorzoeken het gebouw, maar kijken niet op de vliering. Ze verlaten het gebouw met de Britse krijgsgevangenen en hun vrijgelaten kameraden. De rollen zijn nu omgekeerd. Bob gaat op zoek naar water en eten. Hij probeert wat water uit de stortbak van de WC te halen, maar per ongeluk trekt hij het door. Nu drinkt hij het water uit de pot. Hij vindt ook wat te eten in de kasten en bureaus van de politiemannen.

De bewoners van Arnhem moeten de stad verlaten. Arnhem wordt een lege stad. Bob denkt dat het niet lang meer zal duren voor dat hij door zijn vrienden zal worden bevrijd. Maar hij moet zich nog vier weken schuilhouden op de zolder van het politiebureau. 's Ochtends vroeg, rond vier uur is het meestal rustig in de stad. Dan trekt hij er telkens op uit om eten te zoeken. Op het laatst heeft hij alleen nog een beetje water. Overdag houdt hij een dagboek bij over zijn ervaringen. Pas op 30 oktober komen er drie Nederlandse politiemannen naar de vliering. Ze lopen naar het dakraam om naar buiten te kijken. Eerst hebben ze Bob niet eens in de gaten en verdwijnen ze weer naar beneden. Wanneer ze daar naterugkomen, maakt Bob zich bekend. De politiemannen zijn verrast, maar ze zijn ook vriendelijk tegen hem. Hij laat hen een kaart zien waar Nederlandse zinnen op geschreven staan zoals: `Ik heb honger.' `Ik heb dorst.' `Kunt u mijhelpen?' Eén van de politiemannen, inspecteur Van Maris, besluit hem te helpen. Hij vertelt hem ook dat de Airborne-divisie niet meer bestaat. Dat er heel veel soldaten zijn omgekomen en gevangen zijn genomen. Bob schrikt daarvan.

's Avonds komt Van Maris terug naar de vliering van het politiebureau. Even later komt daar ook Johannes Penseel, die in het verzet zit. Hij heeft gewone kleding meegenomen, want Bob kan natuurlijk niet meer in zijn uniform over straat. Hij krijgt een nieuwe schuilplaats in het huis van de familie Penseel op het Velperplein 7. Daar maakt hij kennis met de andere leden van het gezin, mevrouw Penseel en de zonen Jan en Marinus die 24 en 21 jaar oud zijn. De familie Penseel heeft ook een 7-jarig joods meisje in het gezin opgenomen. Haar ouders zijn weggevoerd naar een concentratiekamp in Polen.

In de dagen en weken die daarop volgen, maakt Bob kennis met de mensen van het verzet. Die brengen hem op oudejaarsdag naar een nieuw onderduikadres in Kootwijkerbroek. Pas op 16 april van het volgende jaar (1945) staat hij oog in oog met de bevrijders. Het zijn Canadezen. Enkele dagen later is hij weer thuis in Engeland.
Later heeft Bob Peatling Johannes Penseel en zijn vrouw nog eens ontmoet. Verschillende andere verzetsvrienden van toen leven dan niet meer. Nadat ze hem hebben weggebracht op die oudejaarsdag, zijn enkele leden van de groep opgepakt door de Duitse veiligheidsdienst. Zoals Jan en Marinus Penseel, de beide zonen van Johannes. Ze stierven in maart 1945 in een Duits concentratiekamp. Bob Peatling zal de Slag om Arnhem nooit meer vergeten.

Op zaterdag 23 september geven de Duitsers het bevel tot de ontruiming van Arnhem. Zo'n ontruiming noemen we een evacuatie. Een evacué wordt gedwongen om te vertrekken. Een evacué is dus niet hetzelfde als een vluchteling. Vluchtelingen vertrekken meestal op eigen initiatief. Maar evacués en vluchtelingen moeten allemaal hun woongebied verlaten en een onzekere toekomst tegemoet gaan. Dan komt het moment dat iedereen de stad moet verlaten. De leider van het Rode Kruis in Arnhem, dokter Van der Does, laat op zondagmorgen op allerlei plaatsen briefjes aanplakken met de volgende tekst.

Aan de Bevolking van Arnhem.
Op bevel van de Duitsche Weermacht moet de geheele bevolking van Arnhem evacueeren, t.w.: beneden de spoorlijn heden (Zondag) en boven de spoorlijn uiterlijk maandagavond 25 September. Als evacuatierichting wordt aanbevolen richting APELDOORN en richting EDE. De bevolking wordt aangeraden om zich in kleine buurt-groepen (stadswijken) te organiseren en voor het vervoer van ouden van dagen, hulpbehoevenden en kinderen met eigen organisatiemiddelen zorg te dragen. Ook ziekenhuizen worden geëvacueerd, hetgeen door het Roode Kruis wordt verzorgd, waardoor deze organisatie reeds overbelast is. Ieder dient dus zich dus binnen zijn groep zooveel mogelijk zelf te redden. Van gemeentewege zal langs den weg naar Apeldoorn op een reeks plaatsen hulpposten worden gevestigd. Ieder neme slechts het hoognoodige mede en wel voornamelijk dekens, eetgerei en mondvoorraad. In verband met luchtgevaar wordt men aangeraden kleine groepen te vormen, voorzien van witte vlaggen.

Alleen de mensen die van de Duitsers toestemming hebben gekregen, mogen blijven. Zoals politie- en brandweermannen. Ook de directeur en enkele medewerkers van Burgers' Dierenpark mogen blijven om de dieren te verzorgen. Veel dieren hebben de oorlog niet overleefd. Sommige mensen weigeren om het bevel tot evacuatie op te volgen en blijven in de stad. Maar de meeste mensen vertrekken. Daar gaan ze. Een lange stoet van mensen. Met fietsen, handkarren, kinderwagens en bakfietsen, volgepakt met kleding en beddegoed. Auto's zijn niet beschikbaar. Die zijn op enkele na in beslag genomen. Verder moeten ze alles achterlaten.
Meer dan negentigduizend mensen komen in beweging. Ze gaan in de richting vanApeldoorn en de gemeente Rheden. Later gaan er ook mensen in de richting van Ede. Soms raken de mensen elkaar kwijt in de drukte, maar gelukkig niet voorlang. Dorpen als Velp en Rozendaal worden overstroomd door evacués. Heel veel mensen zijn niet gewend om zo'n lange afstand te lopen. De meeste mensen dragen oude, afgetrapte schoenen of klompen omdat het schoeisel schaarsge worden is. Soms kunnen ze niet meer verder vanwege de blaren en wonden aan hun voeten. Ze proberen in de buurt een slaapplaats te vinden.

In de dagen daarna moeten ook de mensen uit Oosterbeek, Renkum, Heveadorp, Doorwerth, Heelsum en Wolfheze evacueren. Er zijn nu meer dan honderdvijftigduizend mensen in dit gebied op de vlucht. De andere dorpen en steden raken helemaal vol. Soms slapen er wel tachtig mensen in één boerderij. De mensen in Apeldoorn, Ede en Barneveld vangen de vluchtelingen op in hun huizen. Dat zijn ze trouwens verplicht. Ook verblijven de vluchtelingen in scholen, schuren, kippenhokken en verder overal waar maar plaats is. Sommigen maken van oude planken en deuren een onderkomen op het terrein van het Openluchtmuseum in Arnhem.

Niet iedereen is even gastvrij voor de vluchtelingen. Het is ook niet gemakkelijk om voor zovelen te zorgen. Al die mensen moeten eten hebben. Zoveel mensen op elkaars lip, dat geeft ook wel eens ruzie. In december roept de burgemeester van Ede de inwoners op om gastvrij te zijn. Als men zelf een vluchteling zou zijn, werd men ook gaarne vriendelijk ontvangen, schrijft hij in een bekendmaking.

Het is voor de vluchtelingen een moeilijke tijd. De winter is koud en er is een groot gebrek aan voedsel. Veel mensen zitten in spanning om hun huis en bezittingen. Ze mogen niet zomaar terug. Alleen voor dringende zaken en dan hebben ze nog een speciale toegangspas nodig. Terwijl de Arnhemmers ergens anders wonen, wordt de stad leeggeroofd. Er is een groep Duitse soldaten die tot taak heeft om alle waardevolle zaken uit de stad weg te halen. De machines in de fabrieken en waardevolle metalen en de inhoud van de bankkluizen. Ook spullen uit de huizen, zoals kleding, meubels, tapijten, klokken en kunstvoorwerpen. Stelselmatig verschijnen er Duitse vrachtwagens in de straat en worden alle huizen geplunderd. Daar doen ook Nederlandse dwangarbeiders uit het westen van het land aan mee. Alles wat bruikbaar is wordt gestolen en in vrachtwagens en, voor zolang dat nog kan, in treinen weggevoerd naarDuitsland.

De mensen kunnen nog niet terug naar huis wanneer Nederland op 5 mei 1945 helemaal bevrijd is. Dat duurt voor de meesten nog maanden. De mensen uit Bennekom en Wageningen kunnen het eerst vertrekken. Heel veel anderen, uit Arnhem en Oosterbeek, kunnen niet terug omdat hun huizen in puin liggen. Slechts één procent van de huizen in Arnhem is onbeschadigd. Ook de Rijnbrug waar zo hevig om gevochten is, ligt door midden geknakt in de rivier. Tijdens een luchtaanval op 7 oktober 1944 hebben Amerikaanse vliegtuigen de brug kapot gebombardeerd.

Wanneer de mensen in groepen terugkeren, weten ze niet wat ze zien. Ze schrikken van de stad. De Grote of Eusebiuskerk ligt grotendeels in puin en de toren is door de beschietingen van de geallieerden vanuit het zuiden de helft kleiner geworden.


Gezicht vanaf de Rijnbrug op Eusebiusplein en omgeving.

Gelukkig krijgen de mensen in Arnhem hulp van landgenoten om hun huizen weer op te bouwen. De landelijke actie `HARK', Hulp Actie Roode Kruis, komt op gang. Overal worden actiecomités opgericht om geld en goederen voor de mensen in te zamelen. In augustus 1945 gaat de actie `Amsterdam helpt Arnhem' van start. De mensen in Amsterdam zamelen geld in om nieuwe ruiten te kopen voor de huizen in Arnhem en in Oosterbeek. Schoenmakers uit andere steden helpen Arnhemse schoenmakers aan gereedschap en materiaal. Dat doen kappers, kleermakers en banketbakkers ook. Zo helpen de mensen elkaar. De Arnhemmers zijn heel blij dat ze bevrijd zijn en weer in hun eigen stad kunnen wonen. Dat ze niet meer bang hoeven te zijn voor granaten en kogels. Ze kunnen een nieuw bestaan opbouwen.


Terug naar de inhoudsopgave.


Netcetera