Roodland en Geelland in Arnhem
`Mensen interviewen? Over vooroordelen? Nou dat lijkt me niks. Da's
hartstikke afgezaagd.' Hester weet het altijd zo lekker fel te zeggen. `En een
collage maken van kranteknipsels over discriminatie? Ach joh, zoiets hebben we
al zovaak gedaan!' Ze zitten samen een presentatie voor te bereiden voor de
ouderavond: Hester, Paul en Lotte. 't Moet over oorlog en vrede gaan, of over
iets dat daarmee samenhangt. De leerlingen zijn in kleine groepjes verdeeld en
ze moeten allemaal wat doen.
`Misschien kunnen we een rollenspel bedenken', oppert Lotte. Maar aan het
gezicht van Paul ziet ze dat hij daar niet veel voor voelt. `Nee, daar heb ik
ook geen zin in', zegt Hester, `We moeten wat spectaculairs bedenken, vind ze.
Iets waar iedereen van uit zijn dak gaat.' `Hoe doe je dat', vraagt Paul, `Iets
spectaculairs?' `Ja, ik weet het niet, iets heel aparts'. `Dus een hoorspel
vinden jullie zeker ook niks', aarzelt Lotte. `Nou, dat lijkt mij wel leuk',
zegt Paul, `Daar kunnen we van alles in verwerken.' `Ja, maar bij een hoorspel
is er alleen iets te horen. We moeten toch zeker ook iets laten zien, of
nietsoms?'
`Hé Abdoel, wat doe jij hier? Ben je weer beter?' roept Hester. `In welke
groep zit jij voor de presentatie?' Abdoel slentert het lokaal in en gooit zijn
tas op de tafel. `Ja, ik ben weer beter, gelukkig wel. Ik ben blij dat ik weer
naar school kan. Thuis zitten is ook niet alles. En ik kan jullie feliciteren,
want ik zit bij jullie in de groep.' `Nee hè', roepen de anderen en ze lachen.
`Je weet niet eens waar het over gaat', meent Lotte. `Nou ja, jullie moeten me
maar vertellen wat er moet gebeuren', zegt Abdoel.
`We moeten een presentatie bedenken voor de ouderavond over een onderwerp
uitde vredes bus', legt Hester uit. `Het mag niet langer dat tien minuten duren
en een rollenspel doen we niet. Interviews en collages maken zijn we ook zat.'
`Vredesbus, hoezo vredesbus?' vraagt Abdoel. `Kun je daar met een gewone
strippenkaart in naar de vredeswijk of zo?' `Nee joh, luister nou', zegt Lotte.
`Je weet wel. Het is die vrachtwagen van de gemeente met een tentoonstelling er
in. Verleden jaar stond die bus al een paar dagen voor onze school, maar toen
was je zeker ook ziek. Nou, die tentoonstelling was best leuk. Je kon er
allerlei dingen doen die met vrede te maken hebben.' `Ja', vult Paul aan, `een
videofilm kijken, een spel doen over mensen in de Derde Wereld of een puzzel
maken over mensenrechten. Nu moeten wij over één ding uit de vredesbus een
presentatie maken.' `Wat gebeurde er verder in die bus', vraagt Abdoel. `Sorry
hoor, dat is niet zo makkelijk te vertellen. Het is wel lastig dat je er niet
bij bent geweest', zegt Lotte. `Misschien kunnen we iets doen met het verhaal
van Roodland en Geelland', bedenkt Paul dan ineens. `Waar gaat dat over?'
informeert Abdoel. Paul begint te vertellen en Lotte en Hester kijken naar hem
alsof ze het voor het eerst horen.
In de `Vredesbus' kun je leren hoe je
vrede kunt maken.
`Het verhaal gaat over mensen die in twee landen wonen, Roodland en Geelland.
Op de grens van die twee landen loopt een rivier. De mensen komen daar niet
overheen. Ze kijken wel uit. Ze vertrouwen elkaar voor geen meter en ze hebben
allerlei vooroordelen. De Roodlanders schelden de Geellanders uit voor luilakken
en friet-met-mayonaise-hoofden. Andersom zeggen de Geellanders dat de
Roodlanders rood zijn omdat ze elkaar zo vaak slaan. Zo schelden ze elkaar uit
en het scheelt niet veel of ze gaan vechten. Totdat in een heel droge zomer het
water in de rivier zo ver zakt, dat de kinderen van Roodland en Geelland bij
elkaar een kijkje kunnen gaan nemen. En op een dag springen ze over de stenen
die op de bodem van de rivier liggen naar de overkant. Daar praten en spelen ze
met elkaar. Ze ontdekken dat er helemaal niets klopt van al die vooroordelen. Ze
moeten ook erg lachen, want ze horen van elkaar dezelfde mopjes over de
Roodlanders en de Geellanders. 's Avonds gaan de kinderen weer naar hun eigen
land en naar huis. Ze vertellen hun ouders van de ontmoeting. Die schrikkener
van. Ze roepen allemaal heel boos: `Wat? Hebben jullie met Roodlanders gepraat?
Zijn jullie bij de Geellanders geweest?' `Voor straf mogen jullie drie dagen
niet naar buiten.' De volgende dagen is het heel rustig in Roodland en in
Geelland. Alle kinderen zitten binnen. Maar na drie dagen zijn ze de kinderen
van de overkant niet vergeten. Opnieuw zoeken ze elkaar op. Ze bedenken eens
chitterend vredesplan. Ze bouwen van stenen in de rivier een brug. En zo is het
gekomen dat de mensen van Roodland en Geelland vrienden met elkaarwerden.'
`Gaaf verhaal', vindt Abdoel. En Hester zegt: `Ja, nu ik het zo weer hoor
vertellen. Goed idee. Daar moeten we iets mee doen. Maar wat!' `Hebben jullie al
aan de bruggen van Arnhem gedacht', zegt Abdoel na enig nadenken. `Hoezo',
reageert Hester, `de bruggen van Arnhem, daar is toch niks mis mee?' `Ik geloof
dat ik je begin te begrijpen', zegt Paul, `bijvoorbeeld de John Frostbrug.' `Ja,
en de andere bruggen van Arnhem.' De ogen van Abdoel beginnen te glimmen.
`Arnhem-Zuid en Arnhem-Noord worden ook gescheiden door een rivier. Over de
rivier liggen bruggen. Laten we daar iets over presenteren.' `Je wilt
Arnhem-Zuid en Arnhem-Noord toch niet met Roodland en Geelland vergelijken?
'vraagt Lotte. `Nee, natuurlijk niet. Daar gaat het niet om, maar bruggen over
een rivier brengen mensen wel bij elkaar', antwoordt Paul. `O, bedoel je dat
zo', zegt Lotte. `Paul, jij had het over de John Frostbrug', zegt Hester. `Welke
bruggen zijn er nog meer?' `Je hebt de Nelson Mandelabrug, en de André
Sacharovbrug. Elke brug is naar iemand genoemd.' `Hebben die mensen soms iets
met elkaar te maken?' vraagt Lotte. `Wat?' `Ik weet het ook niet precies', zegt
Abdoel. `Maar John Frost heeft iets met de oorlog te maken en Nelson Mandela is
een leider van de zwarte bevolking van Zuid-Afrika. Hij heeft in 1993 de
Nobelprijs voor de vrede gekregen. Samen met De Klerk, dat is de president van
Zuid-Afrika. En wie André Sacharov is weet ik niet.' `Is Sacharov een man of een
vrouw', vraagt Hester. `Dat zullen we moeten opzoeken', zegt Paul. `Nu begrijp
ik nog niet wat John Frost met Nelson Mandela te maken heeft', zegt Lotte.
`Misschien wel dat ze allebei iets goeds voor hun mensen hebben gedaan', gokt
Abdoel. `Iets voor de vrijheid of zo.' `Ja, ook dat moeten we ook uitzoeken',
zegt Paul. `Laten we dat gaan doen', zegt Hester. `De brug van Roodland en
Geelland werd gemaakt door kinderen en de vooroordelen verdwenen. Misschien
kunnen wij dan iets met de bruggen van Arnhem doen.
`Maar dan is het denk ik
belangrijk, dat we weten wie de mensen zijn naar wie ze zijn genoemd', vindt
Paul. Lotte vraagt wat plagerig aan Hester of ze dit nu wel spectaculair genoeg
vindt. Hester gaat er serieus op in. `Nou, ik denk dat je hier heel wat mee kan
doen', zegt ze, `Maar we moeten het natuurlijk wel heel goed presenteren. Met
dia's of zo en mooie muziek.'

De Rijnbrug en
omgeving voordat de Slag om Arnhem plaatsvond.
In de weken daarna ontdekken de vier leerlingen een heleboel. Ze kijken eerst
in het documentatiecentrum van de school. Daar vinden ze informatie over Nelson
Mandela. Abdoel belt naar de afdeling voorlichting van de gemeente Arnhem om
informatie over de bruggen op te vragen. Hester en Lotte nemen contact op met
het Airborne Museum in Oosterbeek. Ze krijgen een kopie van een foto van de
Rijnbrug in de Tweede Wereldoorlog en een verhaal over John Frost. Bij Paul
thuis in de boekenkast staat een boek over André Sacharov. Veel te moeilijk
geschreven, maar zijn moeder kan hem iets over deze man vertellen. Urenlang zijn
ze bezig met hun presentatie. Paul, die zo'n beetje de leiding had, kan er soms
niet van in slaap komen. Hester blijft roepen dat het nog niet spectaculair
genoeg is. Lotte vraagt zich telkens af of de mensen het wel zullen begrijpen.
Abdoel houdt het hoofd koel zoals altijd en daar worden de anderen ook rustiger
van. Op het laatst helpt de leraar hen een beetje.
De presentaties op de ouderavond zijn een succes. Andere groepjes leerlingen
hebben presentaties over mensenrechten en over de Tweede Wereldoorlog. Weer een
ander groepje deed een spel over hoe een reep chocolade wordt geömaakt in
Nederland met grondstoffen uit de Derde Wereld. Het duurt even voordat Hester,
Abdoel, Paul en Lotte aan de beurt zijn. Het wordt een klapper. Eerst vertelt
Paul het verhaal van de Kinderbrug in Roodland en Geelland. Hij kan echt goed
vertellen. Het podium is verlicht met gele en rode spotjes.
De Rijnbrug en
omgeving voor dat de Slag om Arnhem plaatsvond.
Dan komen Abdoel, Hester en Lotte die iets vertellen over de drie bruggen van
Arnhem. Tussendoor worden ook dia's vertoond en Abdoel zwaait met een vlag van
het ANC, de partij van Nelson Mandela. Hester leest het verhaal over John Frost
voor. Hoe hij in september 1944 met zijn soldaten dagenlang de noordelijke oprit
van de Rijnbrug verdedigde. Dat de geallieerden met de operatie `Market Garden'
belangrijke bruggen in Nederland wilden veroveren om op die manier Duitsland
binnen te trekken. Dan zou de oorlog voorbij zijn en Nederland bevrijd. Ze laat
dia's zien van de brug van toen en die van nu. Ze vertelt dat de Slag om Arnhem
toen mislukte. Dat de bevrijding van het noorden van Nederland nog maanden zou
duren. Lotte vertelt het verhaal van André Sacharov, een geleerde uit de
Sovjetunie die jarenlang in een kamp opgesloten zat. De regering van de Sovjet
Unie vond hem gevaarlijk. Hij wilde alleen meer vrijheid voor de mensen. Toen
Gorbatsjov de leider van de Sovjet Unie werd, heeft hij zijn excuses aan
Sacharov aangeboden en liet hij hem weer vrij. Paul sluit de presentatie af met
te zeggen, dat de mannen naar wie de Arnhemse bruggen zijn vernoemd zelf ook
bruggenbouwers waren. Ze bouwden bruggen voor de vrede tussen de mensen. Net zo
als de kinderen van Roodland en Geelland deden. Tenslotte zingen ze een lied dat
de broer van Hester heeft gemaakt. Daarna zingt iedereen het mee. Dat lied gaat
zo:
`De vogels vliegen gewoon over het water, zijn hier thuis, maar ook aan de
overkant. Laten zo de mensen voor nu en voor later met hun bruggen verbinden
land met land.
Na hun presentatie klinkt een daverend applaus van de mensen
in de zaal.
De gevechten bij brug van Arnhem
Die zondagmorgen 17 september 1944 is het
nog rustig in Arnhem. 's Morgens om negen uur hebben de sirenes van het
luchtalarm geloeid. Britse vliegtuigen voerden een bombardement uit op de
Willemskazerne. Daarna is het weer stil geworden. De mensen die gewend zijn om
naar de kerk te gaan, doen dat ook op die ochtend. Veel jonge mannen zie je er
niet. Die houden zich schuil omdat ze het risico lopen opgepakt te worden om als
dwangarbeider in Duitsland tewerkgesteld te worden.
Ergens anders in Arnhem zit een man de krant van zaterdag te lezen. De krant
is niet veel meer dan één vel omdat het papier zo schaars is. Aan beide zijden
is hij bedrukt met oorlogsnieuws. `Maastricht verloren gegaan' leest hij. Dat is
natuurlijk vanuit het standpunt van de Duitsers gedacht. De journalist had ook
kunnen schrijven: `Maastricht bevrijd door de geallieerden.' Zo ver zijn de
bevrijders al. In Maastricht wordt feest gevierd. In Arnhem is het nog niet zo
ver, maar de rust zal spoedig verdwenen zijn.
Terwijl de man in Arnhem in de krant leest dat Maastricht is bevrijd, stappen
ongeveer 600 mannen op het vliegveld Folkingham in Engeland aan boord van
Dakota-vliegtuigen. Ze behoren tot het 1e parachutistenbataljon en maken deel
uit van de 1e Britse Airborne-divisie. Ze gaan op weg naar Nederland om deel te
nemen aan de grootste luchtlandingsoperatie die men ooit gekend heeft. Ze weten
wat hun te doen staat: de brug bij Arnhem veroveren, om zo de weg vrij te maken
voor het geallieerde leger om het Duitse Ruhrgebied in te trekken. Daar is de
Duitse oorlogsindustrie gevestigd. Op die manier willen de geallieerden
Duitsland tot de overgave dwingen. De oorlog zal dan afgelopen zijn en ook het
westen en het noorden van Nederland zullen vrij zijn.
Om twee uur in de middag zijn ze boven het landingsgebied bij Wolfheze.
Wanneer het rode licht boven de geopende deur van het vliegtuig brandt, betekent
dat: Opletten! Direct daarna brandt het groene licht. De mannen springen om de
twee seconden naar beneden. De lucht is gevuld met parachutisten. Enkele uren
daarvoor hebben andere Airbornes de droppingszone gemarkeerd met grote witte
letters. Ze waren de Pathfinders. Verkenners die met zweefvliegtuigen zijn
gekomen. Deze zweefvliegtuigen hebben geen motoren maar wel een landingsgestel.
Ze worden met een dikke kabel door andere vliegtuigen getrokken. Na de dropping
van de parachutisten en de landingen van de zweefvliegtuigen, verzamelen de
mannen zich en trekken in de richting van Arnhem. Het bataljon van commandant
John Frost kan vrij gemakkelijk bij de Rijnbrug in Arnhem komen. Hij neemt de
route onderlangs door Oosterbeek. De soldaten die andere routes nemen hebben het
veel moeilijker. Zij trekken via de Amsterdamseweg en de Utrechtseweg in de
richting van Arnhem. Al snel krijgen ze te maken met de harde tegenstand van de
Duitse soldaten. Van huis tot huis vechten ze zich een weg naar de brug. De
meeste Airbornes van deze andere bataljons zijn daar nooit aangekomen. De Duitse
weerstand was te groot. Veel Britse soldaten zijn na enkele dagen al gewond of
gedood door de gevechten. De doden konden niet eens begraven worden. De grootste
groep kwam niet verder dan Oosterbeek waar ze negen dagen stand konden houden
rond het hoofdkwartier van Generaal-Majoor Urquhart, hotel `Hartenstein'.
Slechts een klein groepje bereikte de brug, waar het allemaal om begonnen
was.
Naar begin van het verhaal.
Robert Peatling
Op zondagavond 17 september komen de Britse soldaten aan bij de brug. Het
is daar dan echt gedaan met de rust. Robert Peatling is ook bij het gevecht om de
brug betrokken. Zijn vrienden noemen hem Bob. Over die dagen schrijft hijlater:
`We hadden verwacht dat het er rustig zou zijn, maar dat viel tegen. De vijand
hield de andere kant van de brug bezet. Het zou niet lang meer duren, dachten
we, voor we ze van de brug zouden afgooien.' Ze verschuilen zich in de huizen
bij de noordelijke oprit van de brug. Voortdurend worden ze beschoten door
Duitse tanks. Het is een oorverdovend lawaai om hen heen. Als er een granaat
inslaat, vliegen de stukken muur je om de oren. Aan beide kanten vallen gewonden
en ook doden. Zo nu en dan is het even angstig stil, maar daarna begint het
schieten weer.
Sommige mensen die in de buurt van de brug wonen, zijn gevlucht nadat de
gevechten begonnen zijn. Anderen zitten er midden in. Ze houden zich schuil in
kelders en wachten af wat er zal gebeuren. De huizen in de buurt van de brug
liggen al voor een groot deel in puin. De daken van de huizen aan de
Eusebiusbinnensingel zijn er bijna allemaal afgeschoten. Soms zie je alleen nog
een puinhoop. Op het Eusebiusplein, nummer 22, vlak bij de brug, is het pension
Veenhuijsen gevestigd. Daar wonen vader, moeder en twee kinderen, een zoon en
een dochter. Het pension is een rusthuis. Op dat moment wonen er drie oude
dames. Zij en de familie Veenhuijsen schuilen in de kelder van het huis.
De volgende morgen breken Britse soldaten de voordeur open en verschansen
zich in het huis. Enkele uren later wordt er heftig geschoten en alle ruiten van
het huis zijn kapot. Een stuk van het dak is eraf doordat een granaat op de
vliering ontploft. Ook de daarop volgende dag, dinsdag, gaat het schieten door.
Terwijl op de bovenverdieping en in de tuin de granaten ontploffen, staat een
parachutist in de keuken eten voor zijn kameraden klaar te maken. Eén van de
oudere dames, mevrouw Van Ommeren, houdt het niet meer uit. Ze loopt het huis
uit en steekt de straat over. Voordat ze de overkant bereikt, wordt ze door
kogels getroffen en is ze dood. De familie Veenhuijsen en de twee andere oude
dames krijgen iets te eten van de parachutist in de keuken.
's Avonds verlaten de Britse soldaten het huis en gaan in de richting van de
Rijnbrug. Het pension Veenhuijsen is helemaal vernield en sommige huizen in de
omgeving staan in brand. Het gezin en de twee dames kunnen niet meer in de
kelder blijven en vinden een schuilplek onder de vloer van de serre.
De achtertuin van pension Veenhuijsen in 1942. Duidelijk is de schuilplaats onder de serre te zien. Dan breekt er brand uit op de bovenste verdieping en onder de vloer van de serre wordt het steeds heter. Eén van de oude dames is helemaal in de war. Ze vraagt of meneer Veenhuijsen een taxi voor haar wil bestellen. De anderen kunnen haar kalmeren. Met water uit een emmer proberen ze haar gloeiende handen en hoofd een beetje af te koelen. Wanneer het tenslotte te heet wordt onder de serrevloer, rennen ze met z'n allen de tuin in en proberen ze zich achter de tuinmuur te verschuilen voor de rondvliegende kogels en granaten. Het hele huis staat nu in brand en in die nacht van dinsdag op woensdag stort het in. De bewoners zijn hongerig en rillen van de kou. Ze eten appels uit de tuin. Sommige appels zijn gestoofd door de hitte van het brandende huis. De volgende dag, het is intussen woensdag, ontploft een granaat in de tuin. De beide oude dames komen daarbij om. Wanneer de brandende puinhoop van het huis is afgekoeld, kruipt de familie Veenhuijsen terug om een betere schuilplaats te zoeken. Die donderdag hebben de Duitsers de binnenstad weer in hun bezit. De familie Veenhuijsen wordt naar het stadhuis gebracht. Alles zijn ze kwijt. Maar zij zijn tenminste nog in leven. De drie oude dames zijn dood.
Terwijl de familie Veenhuijsen zich in de kelder en onder de vloer van de
serre schuilhoudt, wordt erbij de brug nog hevig gevochten. De overmacht van de
Duitse soldaten is te groot. De Britse soldaten kunnen tenslotte geen kant meer
uit. Ze blijven hopen dat ze steun krijgen van de Airbornes die aan de noordkant
van de rivier zijn gedropt. Ook de steun van de andere Airbornes kan hen niet
bereiken. Deze stuiten op onverwachte tegenstand tussen `Onderlangs' en `Boven
over' en kunnen zich maar met moeite in Oosterbeek staande houden. In de nacht
van woensdag 21 op donderdag 22 september moeten de soldaten bij de brug de
strijd opgeven.
Bob Peatling wil niet geloven dat ze verloren hebben. Hij zit op dat moment
in het politiebureau in Arnhem waar Duitse soldaten gevangen worden gehouden.
Hij weigert zich over te geven en verbergt zich op de vliering van het
politiebureau die volstaat met in beslag genomen radiotoestellen. Duitse
soldaten doorzoeken het gebouw, maar kijken niet op de vliering. Ze verlaten het
gebouw met de Britse krijgsgevangenen en hun vrijgelaten kameraden. De rollen
zijn nu omgekeerd. Bob gaat op zoek naar water en eten. Hij probeert wat water
uit de stortbak van de WC te halen, maar per ongeluk trekt hij het door. Nu
drinkt hij het water uit de pot. Hij vindt ook wat te eten in de kasten en
bureaus van de politiemannen.
De bewoners van Arnhem moeten de stad verlaten. Arnhem wordt een lege stad.
Bob denkt dat het niet lang meer zal duren voor dat hij door zijn vrienden zal
worden bevrijd. Maar hij moet zich nog vier weken schuilhouden op de zolder van
het politiebureau. 's Ochtends vroeg, rond vier uur is het meestal rustig in de
stad. Dan trekt hij er telkens op uit om eten te zoeken. Op het laatst heeft hij
alleen nog een beetje water. Overdag houdt hij een dagboek bij over zijn
ervaringen. Pas op 30 oktober komen er drie Nederlandse politiemannen naar de
vliering. Ze lopen naar het dakraam om naar buiten te kijken. Eerst hebben ze
Bob niet eens in de gaten en verdwijnen ze weer naar beneden. Wanneer ze daar
naterugkomen, maakt Bob zich bekend. De politiemannen zijn verrast, maar ze zijn
ook vriendelijk tegen hem. Hij laat hen een kaart zien waar Nederlandse zinnen
op geschreven staan zoals: `Ik heb honger.' `Ik heb dorst.' `Kunt u mijhelpen?'
Eén van de politiemannen, inspecteur Van Maris, besluit hem te helpen. Hij
vertelt hem ook dat de Airborne-divisie niet meer bestaat. Dat er heel veel
soldaten zijn omgekomen en gevangen zijn genomen. Bob schrikt daarvan.
's Avonds komt Van Maris terug naar de vliering van het politiebureau. Even
later komt daar ook Johannes Penseel, die in het verzet zit. Hij heeft gewone
kleding meegenomen, want Bob kan natuurlijk niet meer in zijn uniform over
straat. Hij krijgt een nieuwe schuilplaats in het huis van de familie Penseel op
het Velperplein 7. Daar maakt hij kennis met de andere leden van het gezin,
mevrouw Penseel en de zonen Jan en Marinus die 24 en 21 jaar oud zijn. De
familie Penseel heeft ook een 7-jarig joods meisje in het gezin opgenomen. Haar
ouders zijn weggevoerd naar een concentratiekamp in Polen.
In de dagen en weken die daarop volgen, maakt Bob kennis met de mensen van
het verzet. Die brengen hem op oudejaarsdag naar een nieuw onderduikadres in
Kootwijkerbroek. Pas op 16 april van het volgende jaar (1945) staat hij oog in
oog met de bevrijders. Het zijn Canadezen. Enkele dagen later is hij weer thuis
in Engeland.
Later heeft Bob Peatling Johannes Penseel en zijn vrouw nog eens
ontmoet. Verschillende andere verzetsvrienden van toen leven dan niet meer.
Nadat ze hem hebben weggebracht op die oudejaarsdag, zijn enkele leden van de
groep opgepakt door de Duitse veiligheidsdienst. Zoals Jan en Marinus Penseel,
de beide zonen van Johannes. Ze stierven in maart 1945 in een Duits
concentratiekamp. Bob Peatling zal de Slag om Arnhem nooit meer vergeten.
Op zaterdag 23 september geven de Duitsers het bevel tot de ontruiming van Arnhem. Zo'n ontruiming noemen we een evacuatie. Een evacué wordt gedwongen om te vertrekken. Een evacué is dus niet hetzelfde als een vluchteling. Vluchtelingen vertrekken meestal op eigen initiatief. Maar evacués en vluchtelingen moeten allemaal hun woongebied verlaten en een onzekere toekomst tegemoet gaan. Dan komt het moment dat iedereen de stad moet verlaten. De leider van het Rode Kruis in Arnhem, dokter Van der Does, laat op zondagmorgen op allerlei plaatsen briefjes aanplakken met de volgende tekst.
Aan de Bevolking van Arnhem.
Op bevel van de Duitsche Weermacht moet de
geheele bevolking van Arnhem evacueeren, t.w.: beneden de spoorlijn heden
(Zondag) en boven de spoorlijn uiterlijk maandagavond 25 September. Als
evacuatierichting wordt aanbevolen richting APELDOORN en richting EDE. De
bevolking wordt aangeraden om zich in kleine buurt-groepen (stadswijken) te
organiseren en voor het vervoer van ouden van dagen, hulpbehoevenden en kinderen
met eigen organisatiemiddelen zorg te dragen. Ook ziekenhuizen worden
geëvacueerd, hetgeen door het Roode Kruis wordt verzorgd, waardoor deze
organisatie reeds overbelast is. Ieder dient dus zich dus binnen zijn groep
zooveel mogelijk zelf te redden. Van gemeentewege zal langs den weg naar
Apeldoorn op een reeks plaatsen hulpposten worden gevestigd. Ieder neme slechts
het hoognoodige mede en wel voornamelijk dekens, eetgerei en mondvoorraad. In
verband met luchtgevaar wordt men aangeraden kleine groepen te vormen, voorzien
van witte vlaggen.
Alleen de mensen die van de Duitsers toestemming hebben gekregen, mogen
blijven. Zoals politie- en brandweermannen. Ook de directeur en enkele
medewerkers van Burgers' Dierenpark mogen blijven om de dieren te verzorgen.
Veel dieren hebben de oorlog niet overleefd. Sommige mensen weigeren om het
bevel tot evacuatie op te volgen en blijven in de stad. Maar de meeste mensen
vertrekken. Daar gaan ze. Een lange stoet van mensen. Met fietsen, handkarren,
kinderwagens en bakfietsen, volgepakt met kleding en beddegoed. Auto's zijn niet
beschikbaar. Die zijn op enkele na in beslag genomen. Verder moeten ze alles
achterlaten.
Meer dan negentigduizend mensen komen in beweging. Ze gaan in de
richting vanApeldoorn en de gemeente Rheden. Later gaan er ook mensen in de
richting van Ede. Soms raken de mensen elkaar kwijt in de drukte, maar gelukkig
niet voorlang. Dorpen als Velp en Rozendaal worden overstroomd door evacués.
Heel veel mensen zijn niet gewend om zo'n lange afstand te lopen. De meeste
mensen dragen oude, afgetrapte schoenen of klompen omdat het schoeisel schaarsge
worden is. Soms kunnen ze niet meer verder vanwege de blaren en wonden aan hun
voeten. Ze proberen in de buurt een slaapplaats te vinden.
In de dagen daarna moeten ook de mensen uit Oosterbeek, Renkum, Heveadorp,
Doorwerth, Heelsum en Wolfheze evacueren. Er zijn nu meer dan
honderdvijftigduizend mensen in dit gebied op de vlucht. De andere dorpen en
steden raken helemaal vol. Soms slapen er wel tachtig mensen in één boerderij.
De mensen in Apeldoorn, Ede en Barneveld vangen de vluchtelingen op in hun
huizen. Dat zijn ze trouwens verplicht. Ook verblijven de vluchtelingen in
scholen, schuren, kippenhokken en verder overal waar maar plaats is. Sommigen
maken van oude planken en deuren een onderkomen op het terrein van het
Openluchtmuseum in Arnhem.
Niet iedereen is even gastvrij voor de vluchtelingen. Het is ook niet
gemakkelijk om voor zovelen te zorgen. Al die mensen moeten eten hebben. Zoveel
mensen op elkaars lip, dat geeft ook wel eens ruzie. In december roept de
burgemeester van Ede de inwoners op om gastvrij te zijn. Als men zelf een
vluchteling zou zijn, werd men ook gaarne vriendelijk ontvangen, schrijft hij in
een bekendmaking.
Het is voor de vluchtelingen een moeilijke tijd. De winter is koud en er is
een groot gebrek aan voedsel. Veel mensen zitten in spanning om hun huis en
bezittingen. Ze mogen niet zomaar terug. Alleen voor dringende zaken en dan
hebben ze nog een speciale toegangspas nodig. Terwijl de Arnhemmers ergens
anders wonen, wordt de stad leeggeroofd. Er is een groep Duitse soldaten die tot
taak heeft om alle waardevolle zaken uit de stad weg te halen. De machines in de
fabrieken en waardevolle metalen en de inhoud van de bankkluizen. Ook spullen
uit de huizen, zoals kleding, meubels, tapijten, klokken en kunstvoorwerpen.
Stelselmatig verschijnen er Duitse vrachtwagens in de straat en worden alle
huizen geplunderd. Daar doen ook Nederlandse dwangarbeiders uit het westen van
het land aan mee. Alles wat bruikbaar is wordt gestolen en in vrachtwagens en,
voor zolang dat nog kan, in treinen weggevoerd naarDuitsland.
De mensen kunnen nog niet terug naar huis wanneer Nederland op 5 mei 1945
helemaal bevrijd is. Dat duurt voor de meesten nog maanden. De mensen uit
Bennekom en Wageningen kunnen het eerst vertrekken. Heel veel anderen, uit
Arnhem en Oosterbeek, kunnen niet terug omdat hun huizen in puin liggen. Slechts
één procent van de huizen in Arnhem is onbeschadigd. Ook de Rijnbrug waar zo
hevig om gevochten is, ligt door midden geknakt in de rivier. Tijdens een
luchtaanval op 7 oktober 1944 hebben Amerikaanse vliegtuigen de brug kapot
gebombardeerd.
Wanneer de mensen in groepen terugkeren, weten ze niet wat ze zien. Ze
schrikken van de stad. De Grote of Eusebiuskerk ligt grotendeels in puin en de
toren is door de beschietingen van de geallieerden vanuit het zuiden de helft
kleiner geworden.

Gezicht vanaf de
Rijnbrug op Eusebiusplein en omgeving.
Gelukkig krijgen de mensen in Arnhem hulp van landgenoten om hun huizen weer
op te bouwen. De landelijke actie `HARK', Hulp Actie Roode Kruis, komt op gang.
Overal worden actiecomités opgericht om geld en goederen voor de mensen in te
zamelen. In augustus 1945 gaat de actie `Amsterdam helpt Arnhem' van start. De
mensen in Amsterdam zamelen geld in om nieuwe ruiten te kopen voor de huizen in
Arnhem en in Oosterbeek. Schoenmakers uit andere steden helpen Arnhemse
schoenmakers aan gereedschap en materiaal. Dat doen kappers, kleermakers en
banketbakkers ook. Zo helpen de mensen elkaar. De Arnhemmers zijn heel blij dat
ze bevrijd zijn en weer in hun eigen stad kunnen wonen. Dat ze niet meer bang
hoeven te zijn voor granaten en kogels. Ze kunnen een nieuw bestaan opbouwen.